Twee weken geleden beschreven we vier aandachtspunten voor verdedigen in 1:4:4:2 met de middenvelders op lijn. Nu bekijken we het van de andere kant: hoe bouw je op tegen een tegenstander die zo verdedigt? Met welke patronen krijg je spelers aan de bal in of achter het blok van de tegenstander? We geven er zes.

Iedere optie die we beschrijven wordt ondersteund met drie afbeeldingen. Deze zijn achter elkaar te zien in deze video en werken ondersteunend aan de tekst. Open de video in een tweede tabblad en bekijk iedere variant voor het lezen van de bijbehorende tekst.

Optie 1: de back aanspelen en met de ‘6’ naar balkant komen

Binnen deze basisformaties, 1:4:4:3 met de punt naar achteren tegen 1:4:4:2 op lijn, is de controlerende middenvelder, de ‘6’, in feite de vrije man. Maar omdat beide spitsen samenwerken om de ballijn naar hem eruit te halen, is hij vanuit de as moeilijk aanspeelbaar. Om hem toch aan de bal te krijgen, kan gebruik worden gemaakt van de zijkant.

Wordt de rechtsback ingespeeld, dan stapt vaak de linker vleugelspeler van de tegenstander op hem uit. De linker controleur van de tegenstander houdt zich bezig met de rechter aanvallende middenvelder van het team in balbezit. De spits aan balkant sluit de weg terug naar de rechter centrale verdediger af. Als de ‘6’ in volle sprint naar balkant komt, kan hij zowel door de rechterspits en rechtshalf van de tegenstander moeilijk worden gedekt. Bijna alle teams die in het betaalde voetbal in deze formatie spelen, passen deze variant toe.

Optie 2: de back aanspelen en met de ‘8’ of ‘10’ uitwijken naar de zijkant

De ‘6’ en ‘8’ van het verdedigende team staan doorgaans aan de binnenkant van de twee aanvallende middenvelders van de ploeg die de bal heeft. Dat komt omdat ze de as willen dichthouden en ook rekening houden met de ‘6’, om eventueel door te dekken. Dat betekent dat als de bal snel van kant naar kant gaat, de aanvallende middenvelders een ‘voorsprong’ hebben aan de buitenkant van hun directe tegenstander.

Wordt de bal vanaf rechts via het centrum naar de linksback gespeeld, en de linker aanvallende middenvelder is al onderweg richting de zijlijn, dan is hij voor de rechtshalf van de tegenstander amper kort te dekken. Via een bal langs de zijlijn vanaf de linksback kan hij, mits het snel gebeurt, opendraaien en een oplossing vooruit zoeken. Deze variant werd regelmatig toegepast door het Ajax onder Frank de Boer.

Optie 3: met de ‘6’ uitzakken, met drie man opbouwen en inschuiven

Staat de tegenstander zo compact dat de ‘6’ amper in het spel voorkomt? Dan is het een mogelijkheid hem te laten uitzakken tussen beide centrumverdedigers in. Zo wordt er 3:2 gecreëerd in de opbouw.

Wordt een van de centrale verdedigers ingespeeld, dan kan hij met de bal aan de voet een stuk inschuiven om een spits kwijt te raken. Aan de zijkant volgt er een 4:3-situatie. Dit is een van de vaste manieren waarop Chelsea opbouwt, zoals we beschreven in De Voetbaltrainer 225.

Optie 4: met de middenvelders op één lijn komen en zo 3:2 of 2:1 creëren

De tegenstander staat centraal op het middenveld in ondertal, maar omdat de bal naar de ‘6’ (punt naar achteren)  vaak niet openligt, is dat geen probleem. Door met drie middenvelders op één lijn te gaan spelen, kan ervoor worden gezorgd dat de twee centrale middenvelders eigenlijk altijd te laat zijn.

Er is niet altijd direct een middenvelder aanspeelbaar, dus het centrale duo kan de bal eventueel een aantal keer heen en weer spelen, op zoek naar een opening. Op een gegeven moment zal het voor de twee centrale middenvelders niet meer te belopen zijn en staat er een middenvelder vrij. Als hij wordt ingespeeld en opendraait, kan hij het vervolg naar voren toe zoeken.

Optie 5: de ‘6’ of ‘8’ zakt uit, de tegenstander dekt door, de ’10’ komt in zijn rug vrij

In deze situatie gaan we uit van de basisformatie 1:4:3:3 met de punt naar vóren op het middenveld. De twee centrale middenvelders van de tegenstander zijn al snel georiënteerd op beide controleurs en dekken vaak gretig door. Daarvan kan worden geprofiteerd door ze weg te lokken en te profiteren van de ruimte in hun rug.

Een manier waarop dat kan, is door de ‘8’ uit te laten zakken. De linksback speelt dan wat hogerop. Dekt de rechtshalf van de tegenstander op hem door, dan laat hij in zijn rug een groot gat vallen. Die kan de ‘10’ gebruiken om op het middenveld aanspeelbaar te worden. Hetzelfde patroon kan uiteraard over rechts gespeeld worden. FC Groningen paste deze variant regelmatig toe onder trainer Erwin van de Looi.

Optie 6: de back ontvangt de bal en steekt de buitenspeler in de hoek weg

Stel dat de linker centrale verdediger in balbezit is en de linksback hoog gaat staan. Veel vleugelspelers van de tegenstander zijn er dan niet erg happig om helemaal mee te lopen. Coacht de rechtsback achter hem dat hij de back los kan laten, dan blijft hij in positie staan en kan hij de lijn naar de linksvoor er uithalen.

Dat levert wel één nadeel op: als de linksback wordt ingespeeld, dekt de rechtsback van de tegenstander door. De linksvoor is op dat moment vrij. Als de linksback de bal aanneemt, kan de linksvoor in de ruimte sprinten die de rechtsback van de tegenstander laat vallen. Hij kan via een simpele pass de bal meegeven in de ruimte. Onder meer bij AZ zie je dit patroon regelmatig terug.

Opties

Bovenstaande opties hangen uiteraard af van de manier waarop de wedstrijd verloopt en de tegenstander staat. De situatie bepaalt welk patroon het meest effectief is om te spelen. Hoe meer opties een team beheerst, hoe beter ‘de rugzak’ van de spelers is gevuld. Zo kunnen zij kiezen welk patroon op welk moment het best gespeeld kan worden.

Wil je meer over tactiek weten en leren van trainers op top- en amateurniveau, zowel in de senioren als de jeugd? Abonneer je dan op ons vakblad via deze link.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *